Homepage

Tunesië. Djerba
Tekst en foto's: Joyce Frey
Reistijd: september 2009

 

 

Nadat we op Djeba geland waren, stonden we in een lange rij voor de douane tot we verder konden gaan. Het duurde een eeuwigheid, voordat er een stempel op het inreis papiertje kwam. Intussen waren Beatrice en ik al twee dagen op Djerba, dat maar 22 km. breed en 28 lang is. We hadden de omgeving en het hotelcomplex verkend, dat 15 km. van Houmt Souk af ligt.

Het strand is super. Je kan beide kanten uit gaan om lang te wandelen over het fijne sand.

Der derde dag zouden we aan het strand gaan liggen. Het was bewolkt, maar warm. We hadden nog vrije bedden gevonden. Na korte tijd kwamen donkere wolken. De eerste vakantiegangers vluchten al.

Toen het erg donker werd, leek het mij ook beter om in dekking te gaan. Amper waren we onder dak om koffie te gaan drinken, of het begon hevig te regenen, donderen en bliksemen. Het leek niet meer te willen ophouden.

Wij gingen naar onze kamer. Voor de balkondeur lag een bergje hagelstenen.
Ik ging puzzelen. Als het lichter werd, liep ik naar het balkon, dat in die tijd een zwembad geworden was.


Een "beetje" water

Op de blote voeten ging ik er door om de bladeren,  die van de boom voor mijn balkon gevallen waren, voor de waterafvoer weg te halen. Langzaam druppelde het water weg. Dan ging ik maar eens naar buiten om de schade te bekijken.


Römerdam

De bedden rond de pool stonden in het water. De weg naar het  het strand ook. Overal was water. Een paar anderen en ik gingen op  blote voeten, met de camera in de hand door het hotelcomplex om de schade te vereeuwigen.

In de middag straalde weer een blauwe hemel en de mensen kwamen naar buiten om op de bedden te gaan liggen, die bovenaan weer droog waren. 

Met een oude pomp probeerde men het water af te voeren. Maar die oude machine moesten ze eerst repareren.
Na twee dagen was niet veel meer te zien van het onweers buitje.

Dan werd het tijd een uitstapje te maken.
We zouden in een halve dag het eiland bezichtigen. Als alle mensen in de bus waren reden we naar El Kantara om een stuk over de Römerdam te rijden.

Over de dam ligt een pijp waardoor her drinkwater van het vasteland naar het eiland vloeit.

Dan reden we terug naar Guellala om een pottenbakkerij te bekijken. Natuurlijk moesten we door een grote winkel waar het keramiek verkocht werd naar buiten.  Daarna gingen we naar het hoogste punt van het eiland, 54 meter hoog, naar een museum.

Hier laten ze zien hoe het volk vroeger geleefd heeft. Levengrote poppen stellen de mensen voor. Het is wel interessant hier, maar de tijd was te knap om alles goed te zien.

We moesten naar Houmt Souk. Daar werden we een tapijtenzaak binnen gebracht. Na een korte demonstratie lieten ze tapijten zien. 


Museum Guellala

Daar was ik vlug weg. Beatrice volgde me. Wij liepen naar de markt er naast en slenterden daar over heen. Hiermee was de toer ten einde. Van de stad kregen we niets te zien. Verdere dagen brachten we door als echte vakantiegangers, met luilakken,


Inktvis-vallen

wandelen aan het strand en
's avonds door de straat langs de weinige  winkels en bijna lege restaurants.

Het einde van ons doel was een gat in de straat.
Daar waren de stenen door de regen weggespoeld.  Het gat werd elke dag groter.

Dan wilde ik naar Houmt Souk gaan. Na een goed ontbijt, gingen we met een taxi, die


Het Sumka zoutmeer

hier spotgoedkoop zijn, naar de stad. Daar aangekomen, werden we al door een vreemde aangesproken, die ons wilde laten zien hoe die berbervrouwen werken. Wij lieten ons ontvoeren en kwamen voor een tapijtenzaak. Daar gingen we  écht niet in.


Fort Mustapha in Houmt Souk

Ik was hierheen gereden om de haven te zien. Na enige omwegen, langs winkeltjes, een moskee en een hoge school, kwamen we het gezellige complex voor de haven waar een hoop restaurants met terrasjes zijn. Wij gingen er koffie drinken.

Daarna liepen we naar het deel waar de vissersboten liggen. Een paar vissers waren bezig hun netten te repareren. Wij verwonderden ons er over waarom tegen de stenen aan het oever stenenkruiken liggen die aan elkaar gebonden zijn.

Wat we ons ook voorstelde; niets leek logies te zijn. De dag erop kwam ik er achter, dat in die kruiken inktvissen gevangen worden.

Het volgende uitstapje stond ons voor.  Het ging naar het vasteland van Tunesië

We reden over de roomse dam die 7 km. lang is,  naar het zoutmeer Sumka en aansluitend aan de rand van de woestijn.
Het was al zeer warm geworden als we in de stad Tataouine aan kwamen, om daar een boemelritje over de markt te maken.


De drukke Markt in Tataouine


Moskee met Berberhuizen in Chenini


Taxi in Chenini

Tegen de middag konden we vanaf de straat de moskee op de bergtop van het dorp Checini zien staan. Na een fotostop reden we om de berg heen. Aan de andere kant moesten we naar boven klimmen. Het was al 34 graden.
Verschillende toeristen dachten er niet aan om bij deze hitte omhoog te gaan. Anderen gaven halverwege de weg op en gingen weer naar beneden.

Verbeten kampte ik me omhoog. Af en toe was er een hevige wind, die het fijne zand in je gezicht blies. De top was bereikt. Buiten adem, zwetend en met een knalrood gezicht, waar elke indiaan jaloers op geworden zou zijn,  keek ik rond. Beneden lag het dal, dat dor en kleurlos is.

Boven op de top staan een paar verkoopstands. Een stukje verder kom je achter de moskee, en daarachter zijn in de bergwand nissen gegraven, die als woningen voor de Berbers dienen. Ongeveer 200 mensen leven hier nog. Stroom hebben ze, maar het water moeten ze onder aan de berg halen.


Graanpakhuizen in Ksar Hadada

Wij waren weer op adem gekomen en konden de mars naar beneden maken.

In een restaurant werd een middageten geserveerd. Daarna reden we naar Ksar Hagada om de oude graanpakhuizen te bewonderen. Intussen was het 36 graad geworden. Er werd bijna om een schaduw plaatsje gevochten.

Na enige tijd was de tour ten einde. Tegen de avond kwamen we weer in het hotel, waar we het ons nog een dag lieten verwennen.

Dan moest de koffer gepakt worden om naar huis te gaan.

 

    Joyce

467.16.10.09