![]() |
Noord
Thailand |
|
|
|
||
|
|
||
|
Mekong rivier |
||
| Noord Thailand | Zuid Thailand | Phuket | ||
| In
de morgen was ik in Bangkok aangekomen. In de straten heerste al veel
bedrijvigheid. Voor mij was het nog nacht. In hotel Landmark kreeg ik
een kamer op de 26e verdieping. Eerst wilde ik nog gaan slapen, want
tijdens de lange vlucht had ik geen oog dicht kunnen doen. |
|
|
Na een
half uur sprong ik weer uit bed. Hoe kan je er aan denken te gaan
slapen, als je in een vreemd land bent, waar een hoop te bekijken is? Ik
ging de straat op. Het was op de beroemde Sukhumvit Road. Daar was
natuurlijk veel te zien en te kopen. In het begin liep ik bijna te
slaapwandelen. Tegen de middag werd ik toch goed wakker. Het was zó
gezellig, die vele winkels en kiosken te bekijken, waar ik een paar T
shirts had gekocht. Beroemde dure merken. Niemand hoeft te weten, dat
het goedkope imitaties zijn. Voor ik de volgende morgen van het hotel werd afgehaald, trof ik een reisgenote van me. Een jonge vrouw, die deze reis naar het noorden mee zou maken en daarna ook nog de reis door het zuiden van Thailand. |
| Ik
mocht haar vanaf het eerste moment en had het idee dat we het goed zouden
kunnen vinden met elkaar. Toen alle meereizende mensen verzameld waren,
kon de langste etappe van de reis beginnen: naar Sukhothai. Eerst stopten we in Ayutthaya en bekeken daar een paar ruïnes. Even later kwamen we in Saraburi, waar de voetafdruk van Lord Budha te zien was. |
|
|
|
|
Lopburi volgde met een paar
tempeltjes. Hier gingen meer apen dan mensen over de straat. Die beesten zaten overal. |
|
|
Op de daken en op de balkons van de huizen. Op de stroomleidingen en op de
trein. Ze reden zelfs mee naar Bangkok en weer terug. Geen wonder dat
hier alle ramen van gaas waren voorzien. In de middag maakten we nog een boottocht en bezochten we een markt. Hier kreeg ik bijna een kots-aanval. Vis en stinkend vlees, dat vol met vliegen zat, werd hier verkocht. Ik moest vlug weg om weer in de frisse lucht te komen. Tegen de avond kwamen we dan in Sukhothai aan, waar we nog even tempels gingen bezichtigen. |
||
|
Iedereen ging na het eten zijn eigen weg. Een oud mannetje uit de groep,
dat ook alleen reisde, zocht contact. We spraken een tijdje met elkaar
en toen vroeg ik of hij zin had nog iets te gaan drinken. Maar hij wilde naar
bed gaan. De volgende dag zouden we tot Lampoon reizen. Onderweg passeerden we een klein plaatsje dat in feeststemming was. De reisleidster, een leuke tante, vertelde dat hier een hoop zonen tot monnik gewijd waren. Optochten gingen door de straten. We bekeken het gedoe. Onze leidster was een moment spoorloos. Toen we haar weer gevonden hadden, klonk ze zeer opgewonden. Ze riep ons bij elkaar en vertelde dat we een huis mochten bezoeken, waar een zoon zijn feestdag vierde. Het feest was al voorbij, maar we mochten kijken hoe het er van binnen uitzag. Met eerbied gingen we met dertien personen het huis in. We betraden de grote kamer, waar zich alles op de grond afspeelde. |
| De zoon
en een oude monnik zaten op een tapijt op de grond. Op een ander tapijt
stond een stellage, dat me aan een kerstboom deed denken. Wierook en
kaarsjes ontbraken natuurlijk ook niet. We kregen een drankje aangeboden
dat op gesuikerd citroensap leek. We zaten op de grond, tussen de
familie. Deze belevenis stond niet op het programma. Dit had onze tante
geregeld. Ik had een paar foto's gemaakt en de mensen beloofd, hun de
foto's toe te sturen, wat ik natuurlijk ook deed. Het was bijna avond, toen we in Lampoon aankwamen, waar we eerst nog wat tempels konden bekijken. Dan gingen we verder naar ons hotel in Chiang Mai, waar we nog vlug onder de douche sprongen, voordat we bij een show gingen eten. De opgevoerde dansen deden me zeer aan die van Bali denken. |
|
|
Na de show moesten we naar een tegenover gelegen lokaal gaan, om de dansen van de bergbewoners te bekijken. Intussen vertrouwde iedereen er op dat ik een oogje in het zeil hield op het oude mannetje. Hij was al bijna tachtig. Ik had hem papa-tje genoemd en zorgde er voor dat hij niet verloren liep. Het ouwetje sliep al in de bus voor we weer bij het hotel waren. |
|
|
|
In de morgen reden we naar Wat Doi Suthep. Daar waren 290 treden naar
boven te stappen. Langs de trap kropen slangen naar boven.
Natuurlijk van steen, anders zou niemand meer naar boven gaan. Hoewel ik
er tegenop zag zo'n eind te klimmen, viel het mee. Het loonde zeker de
moeite. In de hoogte waren kloosters en tempelgebouwen te zien. Veel
gebouwen waren verguld en overal liepen monniken in hun oranje gewaden.
Van hieruit hadden we een prachtig uitzicht op de bergen. Later gingen we bekijken hoe paraplu's gemaakt worden. In de buurt zaten ook nog studenten die hun geld met schilderen verdienden. Ik liet op mijn shirt een palmboom schilderen. Ik had er nog lang plezier van. Een bezoek aan een goudsmid en een zijdefabriek stonden ook nog op het programma. Papa-tje ging er af en toe op zijn eigen houtje vandoor. Dan moest ik hem weer gaan zoeken. Gelukkig was hij 's avonds altijd erg moe en ging vroeg naar bed, zodat ik rust had. |
|
|
De volgende morgen moesten
we weer vroeg op staan om eerst naar een orchideeënkwekerij te gaan.
Prachtige bloemen waren daar te zien. Daarna gingen we verder naar een olifantenkamp in Chiang Rai. Wij mochten een ritje op de rug van een olifant maken. Papa-tje en ik natuurlijk op één beest. In het begin voelde ik me niet zo fijn, maar al vlug wende ik aan het geschommel en vergat gewoon dat ik op een olifant zat. Dat kwam omdat papa-tje een oude kletstante was die me deed vergeten dat ik op een olifant zat. We sjokten een eind door het oerwoud en dan door een rivier. Na het ritje werden de olifanten in de rivier "in bad gedaan" om weer schoon voor de show te zijn. Er werd een demonstratie gegeven om te laten zien wat een werkezels die olifanten konden zijn. |
|
|
Na de show werd in het kamp gegeten om daarna met een vlot de rivier af te zakken. Het kon niet missen, maar mijn beschermeling was op hetzelfde vlot als ik ingedeeld. Een sterke man stond met een lange stok voor op het vlot om de samengebonden balken heelhuids door de rivier te krijgen. |
| Het was
prachtig midden in het oerwoud te drijven. Kleurige vogels vlogen over
ons heen. De vogels in de bomen zongen hun prachtigste lied,
verstoord door krijsende apen. Bonte vlinders vlogen om onze oren. Het
leek een sprookje te zijn. Zelfs papa-tje was er stil van geworden, tot we een man in het water tegenkwamen die op een vlotje drankjes en knabbelwaar verkocht. Het ouwetje kocht een cola en kwam weer tot leven en begon weer volop te kletsen. In de buurt van Chiang Rai, aan de Kok-rivier, hadden we ons hotel en konden vanuit de kamers op de rivier uitkijken, die zich door een tropische landschap langs de oevers kronkelde. Daarachter de dicht begroeide bergen. |
|
|
Onze reisleidster had gevraagd of we morgen uit het hotel zeep en shampoo mee wilden nemen, als we het zelf niet gebruikten. We zouden het dan aan de bergbewoners kunnen geven. Die waren er blij mee. Als ze dat eerder had gezegd, had ik ze van andere hotels ook kunnen verzamelen. Maar gelukkig had ik een hoop balpennen bij me, die ik onder de mensen kon verdelen. |
|
|
De
volgende dag gingen we een eind omhoog. We reden door de bergen en
kwamen in het dorpje Doi Tung. De bewoners liepen op blote voeten, maar hadden dikke truien aan. De meesten droegen ook lange broeken. Veel vrouwen hadden amper nog tanden in de mond. Ze kauwden op betelnoten. Het rode sap liep uit hun mond, zodat het leek alsof ze bloedden. De kinderen bedelden. Ze kregen snoepjes van mij en balpennen. Een meisje had een klein zusje achter op haar rug, dat in een doek gebonden was. Hoewel het meisje hard liep en met de anderen mee schreeuwde, werd de kleine niet wakker. Ik vroeg me welke drugs ze aan dit kind gegeven hebben. We gingen naar het volgende dorp. Hier was het leven al een beetje beter. De mensen hadden stroom. |
| Een derde
dorp zag er goed uit. Nieuwe huisjes, met stroom én water. Bij een
kleuterschool stopten we. We moesten snoepjes aan de kinderen uitdelen.
Ik had geen snoep meegebracht. De reisleidster gaf me een zakje. De
kinderen, tussen de twee en vijf jaar, deden net een middagslaapje. De
kleintjes werden gewekt. Ze moesten hun handen en gezicht wassen en daarna
naar buiten komen. Met een slaperig gezicht stelden ze zich in een rij
op en liepen langs de toeristen. Iedereen legde een snoepje in het
shirtje dat ze omhoog hielden, wat als zakje diende. Ze gingen weer op
een rijtje staan, met de snoepjes in het shirt en zongen twee liedjes
voor ons. De arme kinderen leken gedresseerde apen te zijn. Onder aan de
school stonden weer vrouwen waarbij de rode sap uit de mond liep. We reden verder naar het meest noordelijke punt van Thailand, aan de grens van Myanmar (Birma). Een klein druk plaatsje, waar het wemelde van de toeristen. De volgende stop was de Gouden Driehoek. Wie wilde kon met een speedboot over de Mekong rivier naar de twee andere landen racen, Myanmar en Laos. Ik had er geen zin in en liep met papa-tje door de gezellige straatjes. Hij wilde alles over drugs weten, die hier vroeger geteeld werd. Maar die geschiedenis was te lang om helemaal te vertellen. Gelukkig ging het ouwetje vroeg naar bed. |
|
|
|
Twee andere vrouwen en ik gingen Italiaans eten op een groot terras.
Daarna liepen we over een markt waar kraampjes stonden met imitaties van
horloges, kleding, leer en alles wat je maar hebben wou. De ochtend er op gingen we met een riksja door de stad, naar een tempel. En dan volgde de lange weg terug naar Chiang Rai, waar nog een overnachting volgde. 's Avonds om negen uur moesten de jonge vrouw, die ik op de eerste dag in Bangkok getroffen had, en ik weer op het vliegveld zijn, om naar Bangkok terug te vliegen. We probeerden een vroegere vlucht te krijgen. Dat lukte. Ik moest wel bijbetalen omdat we alleen nog eerste klas konden boeken. Het was al nacht geworden toen we in het hotel in Bangkok aankwamen. |
|
Daar lag een fax voor mij klaar, waarop te lezen was dat ik om kwart over vijf in de ochtend opgehaald zou worden om de volgende reis te beginnen. Naar het zuiden. |
|
|
|
Joyce |
||
|
|
||









