Homepage

Kuala Lumpur - Penang
Tekst: Joyce Frey
Reistijd: februari 2001

 

Cameron Highlands

start  MaleisiŽ

Kuala Lumpur

Penang - Cherating

Cherating

       
Vroeg in de ochtend vertrokken mijn chauffeur Loo, de gids Tom en ik van ons hotel in Kuala Lumpur, waar we twee dagen doorgebracht hadden. We gingen nu naar de Cameron Highlands. Dat zou een etappe van drie honderd kilometer worden.
Na twee uur door een prachtig tropisch landschap te hebben gereden en ik mijn ogen uitgekeken had, kreeg ik zin in een sigaret.
Ik vroeg of we even konden pauzeren.
Loo drukte me een snoepje in de hand. Dat betekende dat ik stil moest zijn.
Maar na vier kilometer stond een restaurant, waar we stopte. Nadat we alle behoeftes waren nagekomen,  ging de reis verder de bergen in.
De volgende stop was de Lata Iskandar waterval, waar Tom en ik een stukje liepen. Loo benutte de tijd om de krant te lezen. Hij maakte zich zorgen over een mogelijke oorlog tussen Maleisië en Indonesië, die op Borneo kon uitbreken.
Toen we weer verder gingen kwamen we een man van de "Orang Asli" stam tegen. Hij liep met bamboe stokken de straat over. een eindje verder op liep er weer een.
Tom zijn stem sloeg over van opwinding, toen hij zei dat ik een geluksvogel was. Want deze mensen die op de Aboriginals uit Australië leken, zag je zelden in de bewoonde wereld.
Ze leefden in de bergen. Maar weinig kinderen bezoeken een school.
Van dokters willen ze al helemaal niets weten. Zo sterven toch veel mensen aan ziektes, waaraan je tegenwoordig niet meer hoeft te sterven.
Die mensen leven alleen van de natuur. Een stuk verder stoppen we bij zo'n Orang Asli dorp.
Naar mijn mening waren deze mensen het leven in de natuur zat. Anders zouden

Lata Iskandar waterval

ze niet een paar hutten aan de straatrand hebben om zich daar te laten aangapen door
toeristen. De paar mensen die zich hier lieten zien, hadden bijna geen tanden meer in hun mond. De rode betelsap liep er uit en het leek er op dat ze uit hun mond bloede.
In een hutje zat een jongeman op wat latjes, die als bodem boven de grond diende, met een sigaret in de mond te luisteren naar muziek uit een transistorradio.
Hij was bezig met het snijden van pijlen uit hout. Deze dienden voor de jacht.
Een stuk verder langs een beek zat een moeder met twee kinderen die de afwas deden. Voor een hut zat het opperhoofd. Geflankeerd door twee poezen.
Zijn zwarte krullen begonnen al even grijs te worden als zijn baardje al was.
We lieten de drie hutjes voor wat het was en gingen hoger de bergen in.
Het landschap veranderde. In plaats van palmen, waren nu groentevelden te zien.

De meeste groente die de MaleisiŽrs eten, kwam uit deze omgeving.

mensen van de Orang Asli stam

Daarna volgde eindeloze theeplantages.
Dan kwamen we in een stadje aan, dat erg gezellig was. hier waren een paar winkels en wat restaurants. Ook pensions waren er.
Ik hoopte al hier de middag en de avond te zullen doorbrengen.
Maar na het middageten reden we verder omhoog. Tom wees naar boven en zei dat daar mijn hotel was.
Hij beweerde ook dat het abnormaal warm was hier. Eigenlijk moest je hier een warme jas aan doen.
Dan vertelde hij over het hotel, waar de kamers zéér groot en de badkamers ook groot en apart waren. Het moest hier eigenlijk koud zijn.
Ik had al een truitje naast me liggen voor het geval dat nodig mocht zijn. Na een paar kilometer stapten we bij het Strawberry Park hotel uit.
De kamer was inderdaad zo groot dat er een leger in kon overnachten.
De badkamer was zo groot, dat je er in verdwalen kon.
In het midden stond een badkuip.

Orang Asli jager

Rondom stonden trapjes om in de kuip te klimmen.
Waarom moest ik aan Cleopatra denken ?
Na bijna een week reizen zonder bruin te worden, vanwege de smog in de steden zette ik een gemakkelijke stoel op het balkon om de zon op me te laten schijnen.
In de bakken voor het balkon groeide een pracht aan bloemen, waar de vlinders het ook naar de zin schenen te hebben. Ik genoot een poos van de zon op het balkon en ging dan in de omgeving een stuk lopen.
Ik vond het nog steeds jammer niet in het stadje beneden te zijn, omdat het hier erg verlaten was.

De volgende morgen bekeken we een cactus plantage.

Strawberry Park hotel bij Penang

De cactussen groeiden daar in alle soorten en maten, maar vooral kleuren. Er waren ook andere bloemen te zien. Ik herkende iets dat er uitzag als een boom, alsof het de reuze broer van een plant was, die mijn moeder vol trots, zomers
in de tuin had staan. Ook de Hibiscus en andere planten die wij hier kennen, groeiden daar als bomen. Na de bloemenpracht bekeken we hoe mandjes gevlochten werden.
Daarna reden we naar Ipoh. Het landschap was hier minder mooi. Vroeger werd hier tin gedolven. Bij de bergen ontbraken stukken. Die stukken hebben ze laten springen,omdat de mensen die stenen nodig hadden.
Ik vroeg nog of die mensen wel goed wijs waren, want die stukken uit de bergen groeien nooit meer aan. Maar nu was dat verboden.
De littekens uit de oude tijd bleven voor altijd. Een deel van de bergen leek afgehakt te zijn. Daarop volgde een kijkje bij een Chinese tempel.

grottentempel in Ipoh

Het zag er vreselijk kitscherig uit. De grote leken meer op figuren die op een
kermisstad stonden. Dan gingen we naar het Iskandaria Sultanpaleis
Hier maakten we een stop. De daarop volgende halte was aan een rivier. Daar groeiden kapokbomen. Ik wist niet dat de inhoud
van de vroegere matrassen, als witte pluisjes aan de bomen groeide.
De reis ging verder naar Penang.
Voor we het eiland bereikten, moesten we over de langste brug van Azië.
Hoe kon het anders ? In Malaysia moest alles langer, groter en hoger zijn dan in andere landen.
Mijn hotel lag aan zee. Omdat ik de rest van de dag vrij was, ging ik eerst langs het strand wandelen. Het water zag er bepaald niet uitnodigend uit. Het was vuil.
Later ging ik naar het zwembad bij het hotel om eindelijk mijn lichaam een beetje te bruinen. Bij het bad werd aan aerobics gedaan.
Ik wilde er niet aan meedoen, maar genoot van de muziek die ze er bij gebruikte. In de auto liet Loo altijd een bandje met vervelende pianomuziek draaien.
Dat had hij nodig om wakker te blijven.
In de avond ging ik de straat op.
Overal waren marktkramen restaurants  en cafť-tjes.  Het was  erg gezellig. De volgende morgen hoefde ik niet zo vroeg op te staan.

Penang bridge

Later reden we naar een vlinderfarm. Mijn jongens lieten me er alleen naar binnen gaan.
Ik kreeg zelfs een kaartje die mij de bevoegdheid gaf om daar foto's te mogen maken. Duizenden vlinders vlogen om mijn oren.

 En er groeide ook een pracht aan bloemen. Ook een vijver met trotse lotusbloemen.
Het was zo fantastisch hier, dat ik echt geen haast had om hier weg te komen.
Toen ik uiteindelijk toch door de uitgang ging, reden we naar de Kekloktempel.
Dat was een aardige plek.
Eerst bekeken we de budha's in een van de gebouwen die van goud waren en tussen gouden decoraties stonden. Loo, die uit Myanmar stamde, kwam mee om alles te zien, want hij maakte deze reis voor de eerste keer.
Toen we bijna boven aan het complex waren, bleef Tom op de plek waar hij was. Een plaats in de schaduw voor de toren.
Ik moest de toren gaan beklimmen. Zo hoog, dat ik niet verder meer kon  ging braaf naar de ingang en verbaasde me er over dat Loo mee ging.
Zijn zware lichaam, waaronder een been hinkte, stapte dapper met mij de trappen op. Toen we samen boven kwamen schudde we elkaar de hand, alsof we een wereldrecord hadden gescoord.
Nadat we weer wat adem kregen, zei Loo dat hij , als man uit Mayanmar, dit doen moest om zijn goden genadig te zijn.
We liepen in het rond en keken door alle raampjes.
Beneden ons lag het tempelcomplex met zijn vele lampionnen die tegelijk aan Kerstmis en Nieuwjaar deden denken.

overzicht van Penang

Daarna gingen we naar nog een andere budhistische tempel van Mayanmar. Daar stond een abnormaal grote budha. Natuurlijk verguld. Hoewel de bevolking daar in armoe moet leven, worden de goden met goud behangen. Loo was in zijn element bij het zien van al dat fraais. Ik ging onder bij de reus zitten en voelde me als een muis bij een olifant. We besloten de reis naar Penang met een kijkje op de slems van Penang.
Het zijn houten huisjes met rieten daken die op planken langs de oever staan. De regering wil die huisjes afbreken, maar de bewoners hebben geen zin om in een flatje te gaan wonen.
Nu hebben ze nog drie jaar de tijd gekregen om vrijwillig weg te gaan.
Zo zou het nog wel even duren voor dat de mensen er met geweld uit gegooid gaan worden. Langzaam aan konden we weer naar mijn hotel terug gaan.
De rondreis was gedaan, afgelopen. Onderweg reden we over een vel, waar eens een aap in gezeten had. Nu was het zo plat als een stuk karton. een hoop banden moeten er al over heen zijn gegaan. Voor ik mijn hotel inging, moest ik van Tom afscheid nemen.
Hij zei me nog, als ik leuke dingen wilde kopen, moest ik het hier doen.
Zo'n gelegenheid zou ik nooit meer krijgen. Ik vreesde al dat Cherating, waar ik nog  twee weken van een badvakantie zou genieten, een eenzaam en verlaten oord was.
Tom was uit mijn programma verdwenen Loo ging weer verder met een andere gids.
Ik genoot de rest van de dag nog van het zwembad.
Tegen de avond liep ik langs de vele kraampjes en genoot van het leven, want het kon zijn dat ik een eenzame tijd tegemoet zou gaan. In de volgende morgen stond een jonge man op mij te wachten, die er erg slaperig uitzag. Op de eerste blik vond ik hem niet zo sympathiek.
Maar als hij me later, na dat hij urenlang in de auto geslapen had, vertelde, dat hij de dag er voor, na een tour met twintig mensen, die hij op het vliegveld had moeten brengen, en een ander deel naar een eiland, dan begreep ik zijn vermoeidheid.
Later had hij in een vliegtuig moeten stappen naar Penang, dat met twee uur vertraging

vertrok. Zo had hij na de vermoeiende reis ook niet veel kunnen slapen .

KekLok tempel bij Penang

 

 

  Joyce

printversie

132.2005