Afrika - Gambia - Kololi - Serekunda - Georgetown

Kololi - Serekunda - Georgetown
Tekst: Joyce Frey - Foto's: Arie van der Zalm
Reistijd: februari 2003

Gambia

 

     
Ik zat al een week in Kololi en had het hier totaal niet naar mijn zin. Tijdens de eerste week ben ik met een Zwitsers meisje opgetrokken, omdat het leven alléén hier niet te genieten is. Met z'n tweeŽn ging het ook niet veel beter: je kon geen stap buiten het hotel zetten zonder aangehouden te worden door iemand die iets van je wilde hebben. Ik was bijna jaloers op mijn reisgenote: zij kon naar huis vliegen, terwijl ik het hier nog drie weken moest uithouden.
 


Serekunda

Voor het hotel stond regelmatig een reisleider. Tijdens de eerste week heb ik bij hem een reis naar Georgetown geboekt om daar de steenformaties te bekijken. Hij zou mij tijdens deze tweedaagse reis begeleiden.

Nadat ik afscheid had genomen van mijn reisgenote ging ik de dag daarna vroeg in de ochtend naar Lamin, mijn reisleider. Hij stond al voor het hotel op me te wachten. Ik betaalde hem voor de reis. Zodra hij het geld had aangenomen kwam er een luxe auto voorrijden. Ik dacht: "De reis begint goed". Een auto met zachte bekleding, radio en airco. Ik was nog nauwelijks van de verbazing bekomen, toen we in Serekunda weer moesten uitstappen. Van hier uit ging de reis verder met een bus. Lamin moest navragen welke bus we moesten hebben. Vervolgens haalde hij de tickets, die uit kleine handgeschreven papiertjes bestonden.

We stapten in de bus, waar de andere passagiers moesten aanschuiven om ons te kunnen laten zitten. We zaten al dicht op elkaar, maar moesten daarna nog meer aanschuiven om ook andere passagiers een plaats te kunnen aanbieden. De reis kon beginnen.
 
Om de paar kilometer moest de bus stoppen omdat politieagenten de papieren wilden controleren. Ik voelde me een beetje raar, omdat ik de enige toerist was in dit busje, dat bijna uit elkaar dreigde te vallen.

De chauffeur moest slalommen om alle kuilen in de weg te vermijden. De wegen waren echt slecht. We reden langs kleine dorpjes, waar mensen in- en uitstapten. Bij de haltes stonden verkopers die drankjes in plastic zakjes verkochten, zoals water en siroopjes. Ook vruchten werden verkocht.

Lamin kocht een maniokwortel voor me. Ik had bijna geen ruimte om mijn armen te bewegen, dus het was een hele onderneming om een hap uit de wortel te nemen. De rit duurde eindeloos lang, het was heet en ik zat in de verdrukking.
 
Naast mij zat een man met een kind op zijn schoot. Hij probeerde te voorkomen dat het kind mij zou schoppen. Het was een meisje van ongeveer twee jaar oud. Ze had littekens in haar gezicht. Ik dacht dat ze uit Mali kwam. Daar waren de mensen nog zo gek om hun meisjes in het gezicht met littekens te "versieren", omdat ze dat mooi vonden. Na vijf uur rijden moesten we overstappen in Jarra Soma.


Onderweg


Onderweg naar Georgetown

Ik mocht van Lamin niet weggaan. Het kon hier gevaarlijk zijn voor vreemden. Ik mocht ook geen foto's maken. Veel mensen liepen hier heen en weer.

Ook hier was geen enkele andere toerist te zien. Ik begon langzaam aan te denken dat ik de enige vreemdeling in dit gebied was.
Lamin had de bus gevonden waarmee we verder moesten. Bij een kraampje had Lamin stukjes vlees gekocht, die in een oude krant verpakt waren. Onderweg wou hij me er ook iets van geven. Ik bedankte hem vriendelijk. Ten eerste ben ik vegetariër en ten tweede zag het er zo vies uit, dat ik het zelfs met de grootste hongersnood niet eten zou. Deze bus was nog kleiner dan de eerste. We zaten boven op elkaar. En dat drie uur lang.

Tegen de avond kwamen we in de buurt van Georgetown aan. We moesten met een veerpont de Gambiarivier oversteken om naar een eilandje te komen. Daar hadden we nog een lang mars voor de boeg.

Lamin, die hier ook nooit eerder geweest was, moest onderweg vragen waar de lodge lag, die hij geboekt had. Intussen had ik mijn voeten kapot gelopen. Het was bloedheet en ik zweette uit elke porie. De lodge zag er leuk uit maar leek erg verlaten te zijn.
 
We hadden naast elkaar een kamer gekregen. Omdat de heenreis te lang geduurd had, konden we moeilijk morgen in alle vroegte weer terug gaan. Daarom moesten we nog een tweede nacht boeken.

Lamin, die de omgeving wilde bekijken, liet me weer een paar blaren op de voeten lopen. Af en toe gingen we zitten. Dan weer op een trapje bij een school, dan weer op een boomstam bij de rivier. Tenslotte gingen we weer naar de lodge, waar op de binnenplaats een paar tafels en stoelen stonden en het eten geserveerd werd. Na het eten liepen we nog een klein stukje en gingen daarna vroeg naar bed.

De volgende morgen, na een uitgebreid ontbijt, liepen we naar de rivier. Daar bezochten we een museum. Hier werden vroeger de slaven vastgehouden om later weer verder getransporteerd te worden. Het was tragisch.


Avond bij Georgetown


Daarna liepen we naar de andere hoek van de straat, waar Lamin met een vrouw sprak. Dan gingen we naar de kleine markt die er naast was. Lamin kocht een paar vissen en groente. Hij bracht dat eten naar de vrouw, die familie kon zijn, dacht ik.
 


Bij de slager

We liepen weer naar de boomstam aan de oever van de rivier en gingen daar zitten. Ik keek naar het kleine bootje, dat steeds met een paar mensen van de ene naar de andere oever voer. Lamin wees naar een paar vogels die over ons heen vlogen. Hij noemde de namen. Ik vond het vervelend hier. De hele dag op een boomstam zitten...

Ik vroeg wanneer we naar de steenformaties gingen. Lamin zei: "We gaan er niet heen, het is te ver weg". Ik vloog overeind en riep: "Je denkt toch niet dat ik een hoop betaald heb, om hier de hele dag rond te hangen. Ik wil die stenen zien!!!" Met een boos gezicht stond hij op. We liepen naar de mini-veerpont. Daar sprak hij met de bootsman. Tenslotte konden wij ook instappen. Met nog een paar andere mensen voeren we naar de overkant. Daar zette Lamin mij in een klein busje. Hij ging verder informeren. Ik moest weer uit het busje. We liepen naar het einde van het straatje, waar een paar auto's reden. Een andere vrouw deed hetzelfde.

Lamin sprak met haar. Een oude auto kwam voorbij. De vrouw sprak met de chauffeur. Hij liet ons alle drie instappen. We reden over een zandweg waar veel gaten in zaten. Wij moesten weer uitstappen. De vrouw wees in de richting waar we heen moesten lopen. Zij ging de andere kant uit.
 
Na een lange wandeling, kwamen we echt daar aan, waar ik heen wilde. De omgeving was verlaten. We gingen een klein museum in, waar foto's van de stenen hier hingen. Ook die van Senegal en Stonehenge. Daarna gingen naar buiten om de stenen zelf te bekijken. De meeste stonden in een kring. Ze leken op dikke sigaren. Elke kring had stenen, die bijna allemaal even groot waren. Het was toch verbluffend, dat de natuur zoiets kon bieden.

Ik had gezien, waarvoor ik deze reis had ondernomen. We konden terug naar het kamp. Maar dat was niet zo eenvoudig. Eerst liepen we een heel eind, tot we in het plaatsje Wassu kwamen, Daar hoopte Lamin een lift terug te krijgen. Het plaatsje sliep. Er was niet eens een hond te zien. Er stonden een paar kraampjes met groente en vis. De eigenaren waren aan het slapen.


Wassu-stenen bij Kuntaur


Lamin deponeerde me tussen de vissen en zei dat ik moest wachten. In de buurt stond een verlaten vrachtwagen. Hij hoopte de chauffeur te vinden en dat die in de richting van Georgetown zou rijden. Geen chauffeur te vinden. Ik sliep ook al bijna tussen al die vissen, toen ik een auto hoorde aankomen. Ik keek in de richting waar het geluid vandaan kwam.
 


Dorpjes onderweg met strohutten

Het was niet te geloven. Hier in het slapende stadje, kwam een grote rode Amerikaanse auto aangereden. Twee pikzwarte macho's stapten uit. Om de hals droegen ze grove gouden kettingen. Ze waren in jeans en Nike's gekleed. Ze gingen naar het restaurantje tegenover mij. Lamin volgde ze. Hij sprak met beiden en kwam teleurgesteld terug. Hij vertelde dat hij ze had gevraagd ons naar de veerpont terug te brengen. Ze vroegen er teveel geld voor. Omdat we een tweede nacht in de lodge moesten betalen, hadden we bijna geen geld meer over. Ik zei: "Dan wachten we maar langer". Dat deden we ook. Maar het leven in het plaatsje wilde maar niet terug keren.

Nog maar eens liep Lamin naar de overkant en sprak weer met de macho's. Hij kwam naar buiten en rende bijna naar me toe. Hij zei dat ik moest komen. Ik was blij uit de vis verlost te worden, want ik had het gevoel al naar vis te stinken.

We konden in de auto stappen. We lieten ons op de zachte kussens van de achterbank vallen. Een CD werd in de player geschoven. Harde rapmuziek knalde oorverdovend. De jongens, die van de maffia konden afstammen, wilden met me praten, maar door de harde muziek kon ik niets verstaan. We reden over een binnenweg en scheurden langs dorpjes met strohutten.
 
Toen ik mijn ogen dicht deed, zag ik Manhatten voor me. Waarom moest ik hier, in een armoedige wereld, aan een grote stad denken?
 
We kwamen toch nog in goede gezondheid bij het veerpontje aan.
Weer in Georgetown aangekomen, gingen we eerst naar de vrouw waar Lamin de vis en groente gebracht had. Daar sprak hij met haar. We liepen naar de lodge om te douchen, omdat we rood van het zand waren geworden.

Ik beklaagde me er over dat ik geen shirt meer bij me had, omdat ik er geen rekening mee had gehouden om twee nachten hier te moeten blijven. Hij gooide me een zwart shirt met de kop van Bob Marley toe. Ik trok het aan. Zwart is niet mijn kleur, maar ik dacht toch stiekem, dat het me toch wel goed stond. Toen liepen we weer naar de rivier, richting het huisje van de vrouw van de groente en de vis.
 
Daar mochten we op een plaatsje zitten met een houten dak er boven, dat voor de schaduw zorgde. Daar kregen we groente en vis geserveerd, die Lamin eerder die ochtend gebracht had. Ik kon niet veel eten, maar de groente en rijst smaakte goed. Lamin had zich met vis volgestopt.

Na het eten gingen we weer lopen. We kwamen langs een bron. Omdat de geldvoorraad erg krap was, vulde ik mijn lege fles met bronwater. Ik dacht: "Wat de mensen hier kunnen drinken, moet ik ook kunnen". Ik hoopte dat ik gelijk had.

Voor we naar de lodge gingen trof Lamin bekenden op straat. Die zetten stoelen buiten en lieten mij op een er van plaats nemen. Iemand ging naar de winkel aan de overkant en bracht een paar flessen bier mee terug.


We zaten op straat. We spraken met elkaar en het was erg gezellig. Later begaven we ons nog naar de lodge om een kaartje te leggen.

De volgende morgen vroeg liepen we over de lange weg, die uit rood zand bestond, naar de veerpont op het andere eind van het eiland. We konden snel over de rivier naar het vaste land. Daar stond een bus die ons een stukje verder bracht. Toen moesten we overstappen op een andere bus, die zoals altijd overvol was. Iedereen scheen het leuk te vinden.
 


Deze familie kom je ook in Gambia tegen

Na een paar kilometer gaf de bus de geest. Er werd wat geknoeid onder de motorkap. De bus kon weer verder en de mensen lachten en praten vrolijk met elkaar. Weer een paar kilometer. En weer stond de bus stil. Nog steeds vond iedereen het leuk. Het was al middag geworden, toen we een paar kilometer verder waren gekomen. Na elke paar kilometer bleef de bus staan. Intussen deden de vliegen zich te goed aan de wonden op mijn voeten. Ook een paar kippen wilden er aan gaan pikken. Ik probeerde ze weg te schoppen, voor zo ver als ik me bewegen kon.

Het was al laat in de middag geworden. Nog steeds waren we niet veel verder gekomen. Toen we voor de zoveelste keer stil stonden, zag Lamin een taxi aan de andere kant van de weg staan. Hij klom over mij heen en sprong het raam uit. Hij sprak met de taxichauffeur en kwam nog chagrijniger terug als toen hij er heen ging. De taxi was te duur. Hij klom weer door het raam naar binnen en stootte daarbij zijn knie, die meteen begon te bloeden.

Ah, weer konden we een stuk verder gaan. Maar opeens trapt de chauffeur op de rem, toen een paar vrouwen begonnen te gillen. Omdat ik in het midden opgepropt zat, wist ik niet wat er aan de hand was.
 
Uiteindelijk begreep ik dat de achterdeur was open gegaan en er een baby uit is gevallen. Het kind werd opgehaald en was er met alleen wat schrammen goed van af gekomen. We gingen weer verder.


Onderweg naar Kololi

 


Op het strand bij Kololi

Intussen was de zon ondergegaan. Ik vroeg me angstig af, hoe het in het donker moest gaan, met al die gaten in de weg.

Weer pech. En weer stond een taxi aan de andere kant van de straat.
 
Lamin ging weer over me heen, klom uit het raam en ging weer met de taxichauffeur praten. Hij kwam terug. Ik moest zijn tasje naar buiten gooien, toen de mijne en tenslotte mezelf.

Ook dat ging niet zonder er een blauwe plek aan over te houden. Het was al goed donker toen we in Kololi aankwamen. Ik was blij nog een stuk te moeten lopen. Ik was bijna stokstijf.
 
De volgende morgen stond ik om negen uur voor het hotel. Ik gaf Lamin het geld voor de taxi, die hij nog betalen moest. Hij trok z'n schoen uit en liet me de zool zien, die hij kon openklappen. Hij vond dat ik nieuwe schoenen voor hem moest kopen, omdat het mijn schuld was dat hij ze kapot gelopen had. Nu werd ik zeer boos. Ik schoot uit mijn slippers en hield mijn kapotte voeten, de een na de ander, zo dicht mogelijk bij zijn gezicht en riep: "Krijg ik van jou dan nieuwe voeten? Het is jouw schuld dat ze helemaal kapot zijn!" Ik stapte weer in mijn slippers en ging naar het zwembad.

Ik haatte dit land, waar alles "No Problem" is.

Maar in de middag trof ik iemand, die me vlinders in de buik deed voelen. De laatste twee en een halve week werden toch nog fantastisch...

 


 
Joyce