Afrika - Egypte - Nijlcruise Luxor en Asuan

Nijlcruise Luxor en Asuan
Tekst: Joyce Frey
Reistijd: februari 2005

Egypte

 

 

 

 
 
Tegen de middag kwam ik in Luxor aan. Ik was nog gekleed in een warme jas, een dikke trui, jeans en winterschoenen. Die heb ik direct uitgetrokken. Het duurde even voordat alle mensen met bestemming het schip "H.S. Radamis I" waren verzameld.
 


Radamus I

Na een kort ritje kwamen we bij het schip aan, maar konden nog niet naar onze kamer. Wij, een groepje van acht personen, mochten onze koffers in de gang laten staan en gaan eten. Een uitgebreid buffet werkte erg uitnodigend. Honger had ik ook. We hadden onze gereserveerde tafel ingenomen, waar we de rest van reis zouden genieten van het heerlijke eten. Toen we eindelijk onze kamers in konden, rende iedereen er heen om zich om te kleden in wat lichtere kleding. Ik was in de morgen met -10° uit Zürich vertrokken en hier was het +25°. "Slechts" een verschil van 35 graden.

Amper waren we naar de nieuwe temperaturen gekleed of we moesten vertrekken om de tempel van Luxor te bekijken.


De gigantische zuilen waren imponerend. We leerden daar de onder- en bovenkant van de zuilen uit elkaar te houden. De bovenkant had papyrus als ijkmerk, de onderkant de lotus. Daarna reden we naar de tempel van Karnak. Deze was ook indrukwekkend.
 

Na de bezichtiging was het nog te vroeg om naar het schip terug te gaan, daarom werd ons aangeboden om met een koetsje een rit door de bazaars te maken in de afgelegen straten. We namen het aanbod graag aan, alhoewel me de prijs wel erg hoog leek. We lieten ons door de bazaars rijden waar alles verkocht werd. Van radio's tot bonte kleren en doeken. Kruiden, die ook alle kleuren hadden waren er  volop. Tussen de stands zaten mannen aan een tafeltje van een waterpijp te genieten.

Na anderhalf uur werden we weer naar de boot gebracht. We hadden genoeg tijd om ons te douchen voor we aan tafel gingen.
Na het eten gingen we met een paar andere mensen van ons groepje naar de bar, die een etage hoger lag.

De volgende morgen werden we om 5 uur gewekt. Na het ontbijt reden we met een klein busje een eind weg om naar de brug te komen, die naar de andere oever liep.


Luxor - HiŽroglyfen


Met opzet hadden de Egyptenaren de brug een eind van de stad gebouwd, om geen overvloedig verkeer te krijgen die hun tempels in de stad konden beschadigen. Zodoende kunnen onze achterkleinkinderen deze tempels ook nog bezoeken. Daar in de buurt lag het dal van de koningen, bijna recht tegenover de ligplaats ons schip. Toen we aan kwamen begon het al licht te worden, maar nog wel erg fris. De ene na de andere bus kwam aangereden. De gidsen kregen bijna ruzie, omdat iedereen zijn groepje als eerste naar boven wilde laten rijden.
 


Dal der Koningen

We hadden eindelijk ook een plaats in een treintje gekregen dat ons naar boven moest rijden. Volgens mij hadden we het even vlug kunnen lopen. Het eerste graf bezochten we met Jasir, onze gids. Door een lange gang, waar de beide zijden van schilderingen voorzien waren, kwamen we op het eind bij een paar sarcofagen. Daarna konden we op eigen houtje nog twee andere graven bekijken.
Ik nam de eerste in de buurt en vond dat die er bijna hetzelfde uit zag als de andere. De tweede was een stuk verder. Ik moest zelfs een stuk hoger klimmen om in het graf te kunnen komen. Maar ook deze was in principe hetzelfde.

Na een half uur waren we weer bij elkaar om verder te gaan. Toen we bij de bus kwamen, arriveerden steeds meer bussen.We reden nu naar de dodentempel Deir el Bahari, van Koning Hatschepsut.


Ook daar moesten we ons met een treintje naar boven laten rijden, terwijl het toch maar een klein stukje was. Ik kon in gedachte de bloedsporen zien van de mensen die een paar jaar geleden, bij een terroristenactie, om het leven waren gekomen. We konden de gebouwen weer op eigen gelegenheid gaan bekijken. Na de bezichtiging stopte de bus nog even om ons de gelegenheid te geven foto's van de kolossen van Memmon te maken. Toen konden we een albasten zaak gaan bekijken, maar dat interesseerde me niet. Dan weer terug naar onze boot.
 

Zodra alle passagiers (Arabieren, ScandinaviŽrs en Japanners), weer aan boord waren, konden we eindelijk weg varen. Ik ging naar het zonnedek en ging op mijn buik op een van de bedden liggen en kon onder de reling door naar het landschap, dat in de buurt van de Nijl vruchtbaar was, kijken. Achter het vruchtbare land was het kaal land met heuvels.
 
Tegen de avond bleef de boot liggen. We moesten wachten tot we door de sluis van Esna konden varen. Er lagen al veel boten en Jasir dacht dat het wel achttien uur kon duren, voordat wij aan de beurt waren om er door gesluisd te worden. Ik hoopte dat het niet vroeger gebeurde en ik me zou verslapen om het spektakel te zien. Het was half zes toen ik buiten stemmen hoorde. Ik schoot uit mijn bed om door het raam te kijken. De lijnen werden losgegooid en we voeren langzaam verder.


Dodentempel Deir al Bahari

 


Esna sluizencomplex

Toen zag ik een grijze muur voor me. We moesten in de sluis zijn. Ik dacht dat een grote boot nu in een kistje zat. Het duurde niet lang voordat ik merkte dat de boot omhoog ging. Vol spanning zat ik naar de muur te kijken, totdat ik de rand van de oever kon zien. We stegen steeds meer en het landschap was weer herkenbaar.

Het was tijd geworden om te ontbijten. Niemand van mijn groepje had gemerkt dat we in de sluis waren geweest. Na het eten liep ik op het zonnedek wat heen en weer om wat beweging te krijgen.

Onze boot lag weer stil met een hoop andere boten, wachtend tot de brug geopend werd. Het was al laat in de ochtend toen het verkeer stopgezet werd om de schepen door te laten.


Alleen de voetgangers konden via trapjes en een brug over de boten gaan. Ik stond op het dek en keek toe hoe het schip voor ons door de nauwe doorgang ging. Het botste een paar keer tegen de muur. Nu waren wij aan de beurt. De boot werd precies door de nauwe doorgang gemanoeuvreerd. Eindelijk konden we verder gaan. Het landschap was overal het zelfde. In de late middag konden we van boord gaan. Met een busje werden we naar de tempel van Horus Edfu gereden. Na de bezichtiging gingen we weer aan boord en wachtten we tot alle anderen ook weer aanwezig waren. De vaart ging weer verder tot Kom Ombo, waar we bleven liggen.
 

De volgende morgen vroeg werden we om vijf uur gewekt. Om zes uur stonden we zonder iets in de maag te hebben, voor de tempel. Niemand was er om ons binnen te laten.

Ik had een ontbijtpakket meegekregen en at alvast een droog broodje. Een oppasser daar die zei dat we moesten wachten, gaf ik ook een broodje, met vlees. De andere broodjes en drankjes stopte ik in mijn tasje, zo kon ik het doosje alvast weg doen.

Eindelijk konden we naar binnen gaan om het heiligdom van de krokodilgod te zien. Toen we dat bekeken hadden zag ik een slangenbezweerder aan de straatrand, die net zijn beestjes had uitgepakt, en gaf hem ook een broodje. Er kwam een man op me af en Jasir zei dat hij met me naar Assuan, naar het vliegveld, ging. Ik ging met die vreemde mee.


De tempel van Kom Ombo

 


Binnen in de tempel van Kom Ombo

In de tussentijd konden de anderen naar de boot terug gaan om te ontbijten en zich met het schip naar Assuan te laten varen. Met een razende chauffeur en een zwaar bewapende politieman, suisde ik met mijn nieuwe gids naar het vliegveld. Kort voor het vliegveld werd de agent uit de auto gezet. Ik zei tegen hem dat het me liever was geweest als hij de voet van de chauffeur van het gaspedaal had gehaald, dan naar terroristen te zoeken.

We kwamen op het vliegveld aan. De gids bezorgde me een boordkaart en een ticket voor de terugvlucht. Toen mijn tasje door de sluis ging zag ik de gids en de beambte met elkaar praten. Tenslotte vertelde de gids dat ik een "Swissknife" in mijn tas moest hebben. Ik haalde mijn redder in de nood er uit en vroeg wat ik er mee aan moest. De man nam het van me en zei dat ik het terug kreeg op de terugweg.


Op het vliegveld zaten alleen maar Japanners. Het leek alsof ik in een andere wereld was. Na een half uur konden we in de bus stappen om naar het vliegtuig te gaan. De Japanners renden er heen. Ik ging er achter aan. In het vliegtuig kreeg ik een plaats in de eerste klasse, met lege plaatsen voor me, naast me en achter me.
 

In de lucht kreeg ik heerlijke warme koffie. De eerste van deze dag. De Japanners kregen een kartonnetje met sinaasappelsap. In Abu Simbel aangekomen renden de Japanners naar de bussen die stonden te wachten. Ik stond voor het vliegveld en wachtte totdat iemand mij zou afhalen. Niemand was er. Toen kwam er een man op me af om te vragen op wie ik stond te wachten. Ik vertelde van welk gezelschap ik kwam en dat er iemand hier zou zijn. Hij zei dat ik met hem in de laatste bus, met de anderen, moest instappen.

Na een kort ritje kwamen we op een grote parkeerplaats, vanwaar we nog een stukje moesten lopen. De man zocht iemand die met mij zou mee gaan. Hij vond een man die een beetje Duits sprak. Na een paar stappen kon ik de gigantische figuren van Ramses de II in de muur zien. Het was ongelofelijk, dat deze kolossen honderden jaren geleden, door mensenhanden waren gemaakt.


Abu Simbel - Tempel van Ramses II


Mijn nieuwe gids had een boekje bij zich waar foto's in stonden van dit bouwwerk. Ik wou de foto's niet zien. Ik wou alles in het echt zien. Daarom verliet ik de man en keek mijn ogen blind op die grote figuren. Toen liep ik de tempel in om de tekeningen op de muren te bekijken. Weer ging ik naar buiten om die gigantische figuren te zien. Ik voelde me er zo klein onder. Daarna liep ik met mijn gids een stuk verder om een kleinere tempel te zien. Hij wilde me weer in zijn boekje laten kijken. Maar ik ging naar binnen. Ook hier waren vele tekeningen op de muren en aan de buitenkant stonden figuren. Minder groot, maar toch zeer indrukwekkend. Na de bezichtiging mocht ik een rondje lopen.
 


Asuan

Ik zou mijn gids bij de ingang terug zien. Ik liep rond. Het enige leuke wat ik zag, was een vogeltje dat mooie kleuren had. Bij de ingang vond ik mijn gids niet. Omdat er een hoop Japanners naar de parkeerplaats liepen, ging ik er ook heen. Het duurde wel even voordat ze allemaal aanwezig waren. Tenslotte stapte ik weer op de laatste bus.

We reden naar het vliegveld. Daar liet ik mijn boordkaart zien en weer had ik een plaats in de eerste klasse gekregen met een lekker kopje koffie. In Assuan stond de man op me te wachten, die me ook weggebracht had. Ook de chauffeur was dezelfde. Hij verontschuldigde zich omdat hij op de heenweg zo geraasd had. Maar hij moest wel om het vliegtuig niet te missen.
 
Ik werd naar de stuwdam gebracht waar Jasir en mijn groepje al stonden te wachten.


Jasir noemde vlug een paar getallen over de dam en daarna liepen we naar een klein haventje waar we op een van de vele boten stapten om ons naar de tempel van Philae te varen. Deze moest ook al gered worden om niet voor eeuwig in het stuwmeer te verdwijnen.

Tegen de avond kwamen we weer op de boot aan. Intussen had ik flink honger gekregen want sinds het droge broodje in de ochtend, had ik niets meer gegeten. Omdat ik geen volle middagmaaltijd had gehad, kreeg  ik een schaal broodjes en sla aangeboden. Maar het avondeten zou weldra geserveerd worden, dus at ik alleen maar een droog broodje.
 


Philae

De volgende morgen moesten we voor acht uur onze hutten verlaten.

 

De koffers werden in de gang gezet. We konden pas in de middag naar het vliegveld.
Daarom werd ons een uitstapje aangeboden, dat naar mijn mening weer veel te duur was. Maar ik had geen zin om de halve dag op het schip te zitten.

Ik ging ook mee en betaalde de prijs.


Tempel van Philae

 
Een stuk verder op de kade stapten we over op een klein bootje dat naar de overkant voer. Daar lag een eilandje dat een natuurreservaat was en planten uit de hele wereld groeiden. Na de wandeling gingen we weer het bootje in om naar een heuvel te varen, waar Nubiërs zouden wonen.
 

Onderweg konden we in de verte een kamelenmarkt zien. Het bootje legde aan. We moesten door zand dat bezaaid was met geiten en ezelkeutels, naar boven lopen. Daar stond een huisje, zoals zij dat noemen. We werden vriendelijk uitgenodigd om binnen te komen.
 
Maar wat was hier binnen?

Het huis had geen dak. Het regent hier nooit. Ook een stofzuiger hebben de mensen niet nodig. Af en toe moest je met een hark over de grond gaan, dat uit zand bestond. We gingen op de banken zitten die tegen de muren geplaatst waren. Op de muren waren landschapjes geschilderd. We lieten ons met een hibiscusthee verwennen en daarna werden we naar het winkeltje achter het huis gebracht.Het was natuurlijk de bedoeling er een hoop troep te kopen.

Daarna terug naar de boot om naar Asuan te varen. Daar haalden we onze spullen van het schip en lieten ons naar het vliegveld brengen.


Nubisch dorp

 


 
Joyce